welcome...
welcome... ...stranger
archief
23.10.20 - 27.03.21
WANDELING / WALK




Het grenzeloze plein

door Maria Barnas



                              A mind can't prove or step outside itself. It's like a line that goes

                    on being drawn to make a circle: it can't see its shape.

                             - Murmur (2018), Will Eaves



Een eenzaam mens die elk mens is

slentert over een verlaten plein dat grenst 

aan alle andere pleinen van de stad. 


Ze vormen samen een weids gebied 

waarin uitzicht vanuit vensters

verzinkt met bomen rondom.



*



Omdat vogels niet gevoerd mogen worden 

werpt iemand maar een heel volkoren

op het plein dat hol voor mijn voeten ligt 


een verlaten gebouw dat volloopt 

met alle lege gebouwen waar ik aan denk

en waar ik niet aan moet denken. Wie 


kan ik aanspreken om een uitzicht met mij

te delen? Mensen maken ruzie 

in verschillende talen bij Jeu de boules.


Russische scheldwoorden ketsen af

op Arabische verwensingen

en rollen in een geul. Mensen kijken 


maar ik ken de regels niet. Wend me af

om het plein verder open te vouwen. 

Er zijn fragmenten en kringen van wat


eens heel was te vinden op het Krugerplein.

Hechte kringen vallen als de doorsnede

van een boom in metalen ringen en letters


uiteen: WELC om een bankje een fietsenrek 

OME een paal en zakt steeds verder STRAN

in de stad GER. Wat hier uitdijt is een idee


een concentratie van wat en wie elkaar raken

zoals het kruisen van blikken met een vreemde 

die mij meeneemt naar de randen van de stad.


Twee meisjes spelen dat ze vechten

op het midden van het plein. Ze springen

en schampen. Ze stompen een stomp na


schoppen een schop na. Dansen met elkaar

en komen niet meer bij van het lachen

als ze zien dat ik meedein in de ring.



*


Ik hoor een lied uit de mond

van een mens die zich een elvenkoning

waant. Hij roert met zijn staf in een pot


zo dat het duister binnenstebuiten draait

en een knoop in mijn maag legt. Hij zingt

zo dat ik zijn stem niet kan vergeten hij zingt


zo dat ik zijn stem hoor wanneer ik de stok

die in het onbenoemde prikt uit een raam

zie steken. Het lied verbindt het uiteinde


in de lucht met de oorsprong van het sprookje

en waar de bodem van de zwarte pot

zich bevindt vermeldt de geschiedenis niet.


Waar ik de façade nader en waar 

de stokken elkaar binnen en buiten raken 

jubelt het onbekende op de Zomerdijkstraat.


Een meisje met pompons op haar muts

als de oren van Mickey Mouse en tijgerlaarzen

probeert duiven op het aangrenzende plein


vast te grijpen. Ze begint te aarzelen

tussen vangen en verjagen nu ze merkt 

dat beide leiden tot fladderende paniek.



*


Waar het plein aan de Schaepmanstraat grenst

hangen twee schommels naast een hond.

Of zou het een schaap zijn? Een moeder


met een kinderwagen en een meisje ernaast

dat moeite heeft haar bij te houden op haar step

jaagt in het voorbijgaan met een geoefend gebaar


vogels van het dak van een auto. Waarom

jaag je de vogels weg? vraagt het meisje.

Omdat vogels veel poepen en vogelpoep


van auto's een zeef maakt
zegt de moeder 

terwijl ze denkbeeldige vogels rond haar hoofd 

verjaagt. Wat is een zeef? hoor ik nog net


voordat ze de hoek omslaan. De vogels trekken 

mijn blik mee naar boven waar rode rasters 

voor een raam zijn geplaatst. Ze laten lucht


door ze laten blikken door als een zeef

zou ik tegen het meisje willen zeggen.

Ze bepalen dat binnen binnen is en buiten 


buiten. De verfijnde regelmaat van het hekwerk

sluit niets uit maar toont dat begrippen

als voor en achter hoog bekend en onbekend 


of vreemd afstanden zijn. Reikwijdtes 

en bepalingen die we ons zelf

opleggen. De lijnen resoneren wel


en niet met de voeglijnen van de bakstenen

verhogen het besef van omringende patronen:

de stenen de ramen de huizen de blokken


de straten de steden en structuren 

waartussen ik me vrij meen te bewegen. 

Ik zet stramme stappen. Ik probeer 


een volmaakte cirkel te lopen in deze stad

denk ik vast niet willekeurig. Zien

waar ik uitkom. Zien waar ik niet uitkom.



*



In gedachten trek ik naar de randen 

van het plein dat zijn hoeken begint

te verliezen. Aan de Tweede Leeghwaterstraat


ben ik omsloten door hoge gebouwen

en sta ik in het gras als in een ondiep meer.

Gele details springen in het oog:


een zandbak in de vorm van een schelp.

Een hoodie die net over de rand van een jas 

uit komt van een jongen die langsfietst. 


Een luik op een helling naast het spoor 

en de deuren van een trein die ter hoogte 

van de tweede verdieping langsraast zingen 


samen een fel lied. Het kondigt drie gele 

dobbelstenen aan die aan een gevel

hangen. Op elke zijde een ander woord: 


BODY CLOSE BUBBEL LONELY WARM

HAND HELP RELAX NATURE vormen 

regels die zich niet zomaar laten schrijven. 


Mijn lezing is een van veel combinaties 

die het vallen van de stenen maakt. 

Waarom staat BUBBEL tussen CLOSE 


en LONELY? Zijn WARM en HAND 

Engelse of Nederlandse woorden?

Ik wil geen patroon of regelmaat zoeken 


in de dobbelstenen. Maar in hun beweeglijke

aard die vaststaat lees ik een eenzaam mens 

die elk mens is en de handreiking tussen beiden.















...stranger